Australian Shepherd Club Nederland

De Rasvereniging voor de Australian Shepherd Club in Nederland

Gezondheid

Gezondheid

Gezondheid is een "hot item" bij de ASCN.

Vanaf de start van de vereniging in 1996 is er altijd aandacht aangegeven aan de gezondheid van aussies als individu en het ras in het algemeen. Via het fokreglement zijn fokkers verplicht om de fokdieren te laten onderzoeken op onder andere Heupdysplasie (HD) en oogafwijkingen.

De Australian Shepherd is een ras waar, net zoals bij alle andere rassen aandoeningen voorkomen. Zoals bij ieder levend dier is het altijd mogelijk dat er aandoeningen voorkomen die de gezondheid schaden. Om dit te voorkomen is het vooral belangrijk dat fokkers en eigenaren eerlijk zijn over hun honden. Uit ervaring weten we allemaal dat dit soms niet makkelijk is.

Toch proberen we als vereniging hier zo open mogelijk mee om te gaan en een voorbeeld te zijn voor andere rasverenigingen. De leden van de ASCN zijn meewerkende leden die in belang van het ras hier graag hun medewerking aan geven. Hiermee wordt bedoelt het publiceren van gezondheidsuitslagen in ons clubblad van de testen op HD en ED, ECVO oogonderzoeken en MDRI testen. Daarbij worden we geholpen door de grote groei in beschikbare gezondheidsonderzoeken, veelal door middel van DNA. De ASCN en haar leden streven er naar om in het belang van het welzijn van de Australian Shepherd nu en in de toekomst waakzaam en oplettend te zijn en nieuwe technieken te gebruiken voor het welzijn van uw en mijn hond. Zelfs pups moeten voordat ze verkocht worden aan de nieuwe eigenaren onderzocht zijn op oogafwijkingen.

Voor de testresultaten van het HD, ED en Ecvo Oogonderzoek geldt dat de ASCN convenanten heeft met de afdeling GGW van de Raad van Beheer. Hierdoor worden alle resultaten van deze in nederland op alle aussies uitgevoerde onderzoeken bij de rasvereniging aangeleverd! Via het databaseprogramma van de club en publicatie in het clubblad wordt zo iedereen goed geinformeerd!

Verplichte testen

Australian Shepherds worden al jaren getest op heupafwijkingen (ook wel Heupdysplasie, HD genoemd) en sinds 2012 ook op verplicht op elleboogafwijkingen (Elleboogdysplasie, ED). Aan de ouderdieren worden in het fokreglement hieraan strenge eisen gesteld (minimaal HD B, één ouder ED 0). Zo wordt geprobeerd te voorkomen dat er zieke honden gefokt worden. Daarnaast hebben de leden van de ASCN in 2012 besloten verplicht te gaan testen op de gevoeligheid voor bepaalde medicijnen, MDR1 genaamd. (>> voor meer info<<).Daardoor wordt voorkomen dat er nog honden geboren worden met deze aandoening.

Voor MDR1 is er bewust gekozen om alleen verplicht te testen en niet het fokken van dragers/lijders te verbieden. De reden daarvoor is MDR1 geen ziekte is, maar een gevoeligheid voor bepaalde medicijnen. Het is daarom het meest belangijk om (toekomstige) eigenaren te informeren over de mogelijke gevoeligheid voor deze medicijnen. Het zijn verder namelijk gewoon gezonde honden.

Oogaandoeningen.

Bij de Australian Shepherd komen een aantal oogafwijkingen voor. Daarom moeten fokdieren een geldig oogcertificaat van een gediplomeerde oogdierenarts hebben.(ECVO). Deze certificaten zijn maar een jaar geldig, dus in de praktijk worden deze dieren zo goed als ieder jaar gecontroleerd! Daarnaast zijn er steeds meer genetische testen beschikbaar die de vatbaarheid voor bepaalde oogziektes in kaart brengen. Op dit moment zijn deze testen in het huidige fokreglement nog niet verplicht, maar blijkt dat veel fokkers er al wel op testen. De testresultaten hiervan worden dan ook opgenomen in de pupinfo.

 

Wat betekent een DNA test?

kijk in dit artikel voor een uitleg over de mogelijke resultaten van DNA testen.

Doofheid

De afgelopen jaren hebben vrijwel alle fokkers/eigenaren meegedaan met het onderzoek naar cochleaire doofheid binnen het ras. In totaal zijn er ruim 160 Australian Shepherds onderzocht waarbij geen enkele doven pup/hond is aangetroffen. Naar aanleiding van deze gegevens is in 2003 het verplichte deelnemen aan het onderzoek afgeschaft, dit omdat het behalve een kostbaar onderzoek ook een belastend onderzoek is voor de pups. De pup krijgt voor dit onderzoek "BAER test" (Brainstem Auditory Evoked Response) test namelijk een roesje. lees meer over doofheid

 

Epilepsie

Het woord epilepsie is afgeleid van het Grieks, en betekent: overnemen, overweldigen, of aanvallen. Epilepsie bestaat uit het herhaaldelijk optreden van aanvallen. Normaal gesproken wekken hersencellen een soort electrische signalen op. Ze geven ze weer door, maar ze ontvangen ook signalen van andere cellen. De hersenen zijn in staat om deze signalen te coördineren, en sterke signalen te verminderen. Bij een aanval echter wordt zo'n kort, sterk signaal over de gehele hersenen verspreid, omdat het onvoldoende wordt afgezwakt. Bij epilepsie treden zulke aanvallen regelmatig op.

Er bestaan twee soorten epilepsie:

Primaire epilepsie: ook wel idiopatische, genetische of 'echte' epilepsie genoemd. Voor dit soort epilepsie is meestal geen oorzaak te vinden. De diagnose wordt gesteld door alle andere oorzaken uit te sluiten. Primaire epilepsie ontstaat meestal als de hond een leeftijd heeft tussen zes maanden en vijf jaar.

Secundaire epilepsie: waarbij een aanwijsbare oorzaak te vinden is. Er zijn tal van oorzaken voor secundaire epilepsie, waarbij het doel van de behandeling is, de oorzaak weg te nemen. Dat is meestal moeilijk, omdat de oorzaak vaak niet duidelijk is vast te stellen.

Zoals gezegd bestaat epilepsie uit het herhaaldelijk optreden van aanvallen. Bij honden zijn er drie soorten aanvallen te onderscheiden.

  • Partiële aanvallen, waarbij bepaalde delen van het lichaam betrokken zijn, zoals stuiptrekken, vlieghappen, zenuwtrekjes in het gezicht of het trekken met een oor.
  • Gegeneraliseerde aanvallen, ook wel grand mal genoemd. Deze aanvallen bestaan uit twee fasen: de tonic en de clonic fase. De tonic fase is herkenbaar aan het omvallen van het dier, verlies van bewustzijn, het verstijven van de poten en krampen van het hele lichaam. Soms stopt ook de ademhaling. Deze fase duurt gewoonlijk ongeveer tien tot dertig seconden. De clonic fase bestaat uit het bewegen van het hele lichaam, waaronder het heftig bewegen van de poten (het zogenaamde 'lopen'). Bij beide fasen kan ook de controle over blaas of darmen wegvallen en kan er salivatio optreden. In sommige gevallen verschijnt er schuim om de mond.
  • Atypische aanvallen, die niet in te delen zijn bij de vorige twee soorten.

De meeste aanvallen kennen drie fasen:

  1. De aura is de beginfase voor de werkelijke aanval. De hond is onrustig en vertoont soms afwijkend gedrag. Het dier kan aanhankelijker worden, of zich juist terugtrekken. Soms is er een vreemde blik in de ogen te zien. De aura kan enkele minuten tot enkele dagen aanhouden.
  2. De ictus is de werkelijke aanval. De hond valt om, verstijft gedurende een korte periode (± dertig seconden), gevolgd door ontspanning, waarbij krampen en heftige beweging met de poten optreedt. De ictus duurt ongeveer een tot drie minuten.
  3. De post-ictale fase is de periode na de aanval. De hond komt bij bewustzijn, krabbelt overeind en is meestal een poosje de kluts kwijt. Sommige honden hebben extreme honger of dorst. Vaak zien ze slecht en hebben moeite met bewegen. Enkele honden zijn vlak na de aanval overactief en andere zijn juist geheel uitgeteld. De post-ictale fase kan enkele minuten tot enkele dagen duren.

Buiten de genoemde soorten aanvallen, zijn er een twee bijzondere vormen, waar extra aandacht aan besteed moet worden:

  • Clustering, Dit is wanneer een hond meerdere aanvallen op een dag heeft, waarvan hij tussentijds niet voldoende hersteld, dus waarbij geen herkenbare post-ictale fase optreedt.
  • Status epilepticus, Hierbij is sprake van een aanval, die langer dan enkele minuten duurt, waarbij de hond niet of nauwelijks bij bewustzijn komt. Elke aanval wordt gevolgd door een nieuwe, waardoor de aanvallen eindeloos door kunnen gaan.

Wat moet u doen bij een aanval:

Eigenlijk kunt u helemaal niets doen. De aanval is niet meer te stoppen. Probeer geen medicijnen toe te dienen. Deze werken toch pas na een bepaalde periode, en uw hond zou er in kunnen stikken. Blijf kalm en zie er op toe dat uw hond zich niet kan bezeren. Probeer niet de hond vast te houden; dit heeft geen zin en bovendien zou u gebeten kunnen worden. Als u andere honden in huis hebt, verwijder die dan uit de kamer. Sommige honden kunnen namelijk agressief reageren naar een hond met een epileptische aanval.

Tenslotte:

Vermeld de dierenarts altijd dat uw hond epilepsie heeft en welke medicijnen hij gebruikt. Ook voor een operatie is het van belang dat hij dit weet. Sommige narcosemiddelen en/of medicijnen kunnen niet gebruikt worden bij honden met epilepsie of in combinatie met de medicijnen die hij gebruikt. Voor een goede behandeling van uw hond, is het raadzaam een logboek bij te houden over het aantal aanvallen van uw hond, de belangrijkste punten daaromheen (zoals bijvoorbeeld enige verandering in huis), het verloop van de aanval en het moment waarop deze plaatsvond. Indien uw hond meer aanvallen krijgt tijdens de loopsheid, zou castratie een uitkomst kunnen bieden. Overleg met uw dierenarts voor u die beslissing neemt.

Waar moet u voorzichtig mee zijn:

Epileptische honden kunnen op bepaalde zaken reageren met een epileptische aanval. Als uw hond gediagnostiseerd is met epilepsie, moet u voorzichtig zijn met het volgende:
• conserveringsmiddelen. Vooral BHA, BHT en ethoxyquin zijn veroorzakers van epileptische aanvallen;
• vlooienbestrijdingsmiddelen. Tot nu toe is Advantage druppels het veiligste middel gebleken bij honden met epilepsie;
• vaccinaties. Vooral het vaccin tegen hondenziekte (Distemper) blijkt veelal epileptische aanvallen te kunnen veroorzaken. Overleg met uw dierenarts voor een eventuele driejaarlijkse cocktail enting en een jaarlijkse parvo/weil enting;
• shampoos
• wijzig of stop nooit de medicatie zonder overleg met uw dierenarts. Het stoppen, wijzigen, vergeten, uitbraken of wisselen van medicatie kunnen aanvallen veroorzaken en soms zelfs leiden tot status epilepticus.

Heupdysplasie (HD)

Heupdysplasie betekent letterlijk een afwijking in de ontwikkeling van het heupgewricht. Het wordt gekenmerkt door een ondiep acetabulum (de kom van het heupgewricht) en veranderingen in de vorm van de femoral (de kop van het heupgewricht). Deze veranderingen kunnen ontstaan door overmatige losheid in het heupgewricht. Heupdysplasie kan voorkomen, zonder tekenen of symptomen en er kan zich bij de hond een ernstige gewrichtsontsteking (artritis) ontwikkelen die een intense pijn veroorzaakt als de ziekte zich verder ontwikkelt.

  Hip-dypslasie-1 Hip-dypslasie-2

 In het fokprogramma van de Australian Shepherd Club Nederland mogen alleen honden met een HD-A  en HD-B uitslag gebruikt worden voor de fokkerij. Ook de OFA uitslagen Excellent en Good mogen gebruikt worden voor de fokkerij in Nederland.

 Meer informatie over Heupdysplasie kunt u ook vinden op de website van de Raad van Beheer op Kynologisch gebied in Nederland

Oogziektes (ECVO)

Bij de Australian Shepherd komen een aantal oogafwijkingen voor. Daarom moeten fokdieren een geldig oogcertificaat van een gediplomeerde oogdierenarts hebben.(ECVO). Deze certificaten zijn maar een jaar geldig, dus in de praktijk worden deze dieren zo goed als ieder jaar gecontroleerd! Daarnaast zijn er steeds meer genetische testen beschikbaar die de vatbaarheid voor bepaalde oogziektes in kaart brengen. Op dit moment zijn deze testen in het huidige fokreglement nog niet verplicht, maar blijkt dat veel fokkers er al wel op testen. De testresultaten hiervan worden dan ook opgenomen in de pupinfo.

 

Aussie Genetics Fact Sheet: Genetische ziektes die voorkomen bij de Australische herder

by C.A. Sharp (http://www.ashgi.org)

Het is moeilijk om aan ras statistieken te komen omdat een gedeelte van de fokkers eraan twijfelen om hun informatie te delen. EVCO statistieken zouden een weerspiegeling voor oogaandoeningen moeten zijn, omdat de aangesloten dierenartsen alle formulieren in moeten sturen, anders dan bij heuptesten waar de verantwoordelijkheid bij de eigenaar ligt. Voor andere ziektes geld dat er weinig bekent is omdat ze niet vast worden gelegd in een database.

Dit zijn, volgens de auteur, in termen de meest voorkomende problemen op veel geziene volgorde :

  • Cataract – meest voorkomende vorm dominant met incomplete penetratie, andere types onbekend
  • Epilepsie – onbekend
  • Gebit afwijkingen – Polygeen
  • Autoimuun ziekte – genetische aanleg
  • Heup dysplasie – Polygeen met invloed van de omgeving
  • Iris Colomboom – Onbekend, maar bijna altijd bij merles.
  • Allergieën – Polygeen ( ? ) met invloed van de omgeving.
  • Kanker – Variërend , niet altijd erfelijk
  • MPP- Onbekend
  • Distichaisis-Onbekend
  • Niet ingedaalde testikels – polygeen
  • Collie eye anomaly – autosomaal recessief

De volgende zijn minder voorkomend maar komen vaak genoeg voor om bij stil te staan:

  • Cornea dystrofie – onbekend
  • Elleboog dysplasie – polygeen
  • Hemofillie A & B – x link
  • Spier dystrofie – x link
  • Osteochondritis desicans – onbekend, afbraak van bot en kraakbeen
  • Patella luxatie – onbekend
  • Patent Ductus Arteriosus – waarschijnlijk polygeen
  • Pelger Huet Anomaly – niet compleet dominant.
  • Porto systemische ( Lever ) shunt – onbekend
  • Progressieve Retinal Atrophy- autosomaal recessief ( waarschijnlijk komt het helemaal niet voor ,maar het word verkeerd gezien in het geval van oog beschadiging na trauma.
  • Rage –syndroom- onbekend
  • Von Willebrand ziekte – onbekend in Aussies

 

 

Mdr1

Aussies lopen gevaar bij narcose, ontworming en gebruik van geneesmiddelen

In de jaren '80 kwam het middel Ivermectine op de markt, een ideaal middel om wormen en andere parasieten te bestrijden. Bij toepassing bleek dat bepaalde rassen (collie-achtigen, waaronder de Australian Shepherd en bastaarden) ernstig ziek werden na een behandeling. Ze kregen darmstoornissen, gingen braken en kregen allerlei afwijkingen aan het zenuwstelsel, variërend van epileptische aanvallen tot en met een coma. Een deel van die honden kwam zelfs te overlijden.

De DNA-test is belangrijk voor iedereen die een Australian Shepherd bezit omdat, zodra de hond een geneeskundige behandeling ondergaat, het middel erger kan blijken te zijn dan de kwaal. Wanneer de dierenarts op de hoogte is van de overgevoeligheid bij uw hond kan hij geneesmiddelen voorschrijven die niet deze dramatische nadelige bij-effecten hebben.

Meer info:

  • Lijst met risico-geneesmiddelenl
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Genetische test - Fokbeleid

Gelukkig is er een genetische test beschikbaar voor MDR1. 

Voor MDR1 is er bewust gekozen om alleen verplicht te testen en niet het fokken van dragers/lijders te verbieden. De reden daarvoor is MDR1 geen ziekte is, maar een gevoeligheid voor bepaalde medicijnen. Het is daarom het meest belangijk om (toekomstige) eigenaren te informeren over de mogelijke gevoeligheid voor deze medicijnen. Het zijn verder namelijk gewoon gezonde honden.

Voor meer info over genetische testen en de uitkomst van genetische testen:

Doofheid

Cochleaire doofheid bij de Australian Shepherd.

Door Hetty van Hassel

De anatomie van het oor:

Het oor is een complex orgaan dat twee ogenschijnlijk verschillende zintuigen herbergt: het gehoor en het evenwicht. Het gehoorzintuig en het evenwichtszintuig bevinden zich in een ingewikkeld stelsel van met elkaar communicerende ruimten, het labyrinth. Het gedeelte dat voor de evenwichtswaarneming dient, heet het vestibulum en dat deel waar het geluid gestimuleerd wordt, heet cochlea of slakkenhuis. Het hele orgaan wordt het organum vestibulo cochleaire of auris genoemd, waarbij het gehoor- en evenwichtszintuig samen het binnenoor of auris interna vormen. Ze bevinden zich in een ruimte in het rotsbeen (pars petrosa van het os temporale van de schedel).

Het gehoorzintuig heeft een uitgebreid systeem van hulporganen nodig om de geluidstrillingen op te vangen en om te vormen tot adequate prikkels voor de zintuigcellen. Voor de opvang van de geluidsgolven zorgt het uitwendig oor (auris externa) en voor de transductie zorgt het middenoor (auris media). Het uitwendig oor bestaat uit een oorschelp en de gehoorgang die grotendeels zijn opgebouwd uit kraakbeen en geheel bekleed met huid. De benige uitwendige gehoorgang is ongeveer 0,7 cm lang en eindigt met het trommelvlies, die daardoor binnen de schedel ligt en zo beschermd is tegen trauma.

Het middenoor is gescheiden van het binnenoor door de membranen in het ronde en ovale venster (Fenestra ovalis). Het middenoor ligt achter het trommelvlies en is een met lucht gevulde holte die geheel met slijmvlies is bekleed. Hierin liggen de gehoorbeentjes met hun spiertjes en ligamenten. Deze 3 botjes, de hamer, aambeeld en stijgbeugel, vormen een verbinding tussen het trommelvlies en de Fenestra ovalis.

Tegen het trommelvlies zit de hamer, waarvan de steel in het trommelvlies is vergroeid. De kop van de hamer articuleert met het aambeeld en dat articuleert met de stijgbeugel. De voetplaat van de stijgbeugel zit in het Fenestra ovalis. De belangrijkste functie van het middenoor bestaat uit het omvormen van geluidsgolven in de lucht via trillingen van de botjes tot bewegingen van de vloeistof in het binnenoor (perilymfe).Het trommelvlies is een dun doorschijnend vlies dat de grens vormt tussen het middenoor en het uitwendig oor.

Het binnenoor bestaat uit een met perilymfe gevuld labyrinth (kanalensysteem) in het rotsbeen. Binnen dit labyrinth ligt het vliezige labyrinth dat gevuld is met endolymfe. In dat vliezige labyrinth liggen de zintuigcellen voor evenwicht en gehoor.

Het gehoororgaan ontstaat embryonaal als een lange dunne buis. Bij lagere zoogdieren blijft het een lange dunne buis,  maar bij hogere zoogdieren, zoals de hond, wordt de buis spiraalvormig (cochlea of slakkehuis). Het gehoorzintuig bevindt zich over de hele lengte van de buis op de bodem en heet het orgaan van Corti en bestaat uit een aantal neuromastcellen met daarboven een verdikt membraan, het membrana tectoria.

binnen-oor-klein

Fig 1 Fig. afkomstig uit het boek Elementaire Kynologische Kennis van Drs. Robert van der Molen.

Geluidsperceptie:

Geluid, een hoorbare luchttrilling, wordt opgevangen door de schedel en door het trommelvlies. Luchtdrukvariaties kunnen via de uitwendige gehoorgang het trommelvlies in trilling brengen. De middenoorbeentjes dragen de trillingen zeer efficiënt over op de perilymfe van het slakkenhuis, waardoor het basillaire membraan in trilling komt.

Reeds in de cochlea komt een frequentie-analyse van het geluid tot stand, geluidscomponenten met hoge frequenties worden dicht bij de stijgbeugel afgebeeld en componenten met lage frequenties dicht aan de top van het slakkenhuis. Dat komt door de vezelstructuur van het basilaire membraan. De vezelstructuur wordt van de basis naar de apex langer maar tegelijkertijd neemt de tensie af.

In het orgaan van Corti worden de trillingen van de basillaire membraan omgezet in elektrochemische activiteiten, waarschijnlijk door prikkeling van de haarcellen als gevolg van relatieve bewegingen van de basilair membraan ten opzichte van de membrana tectoria. De haarcellen veroorzaken dan kortdurende reeksen actiepotentialen in de zenuwvezelen, die een verbinding vormen met het centraal zenuwstelsel. Om hogere en lagere prikkelfrequenties in de zenuwvezel te krijgen, moeten aanzienlijk sterkere stimuli worden toegediend. Een luide toon veroorzaakt in de basilaire membraan een trilling met een groter amplitudo, wat weer resulteert in een hogere impulsfrequentie in de zenuwvezelen.

 

geheel oor
Figuur 2 Schematisch diagram van een doorsnee in een kromming van de cochlea.
(From Bloom W. Fawcett DW: A textbook of Histology, ed 10 Philadelphia, WB Saunders Co 1975)

Doofheid.

Doofheid bij dieren kan het gevolg zijn van storingen in het nerveuze gedeelte van het gehoorzintuig (cochlea) of in de geleiding van geluidsgolven naar het inwendige oor (afsluiting inwendige gehoorgang, perforatie trommelvlies, niet goed functioneren gehoorbeentjes).

Erfelijke doofheid komt bij diverse rassen voor. Rassen met een relatieve hoge prevalentie voor erfelijke doofheid zijn de Australian Shepherd, Australian Cattle dog, Bull Terriër, Engelse Cocker spaniël, Engelse Setter en de Dalmatiër. Andere rassen waar erfelijke doofheid voorkomt zijn: Akita Inu, American Staffordhire Terriër, Beagle, Bichon Frisé, Border Collie, Barzoi, Boston Terriër, Boxer, Buldog, Welsh Corgi Cardigan, Cavelier King Charles Spaniël, Chihuahua, Chow Chow, Doberman, Argentijnse Dog, Engelse buldog, Foxhound, Fox Terriër, Franse Buldog, Duitse Herder, Deense Dog, Pyrenese Berghond, Italiaans windhondje, Jack Russel Terriër, Kuvasz, Labrador, Maltezertje, middenslag Pincher, middenslag en toy poedel, Nova Scotia Duck Tolling Retriever, Papillon, Pit Bull Terriër, Pointer, Puli, Rhodesian Ridgeback, Rottweiler, Sint Bernard, Schnauzer, Schotse Collie, Schotse terriër, Sealyham Terriër, Sheltie, Siberian Husky, Soft Coated Wheaten Terriër, Springer Spaniël, Sussex Spaniël, Tibetaanse spaniël, Tibetaanse Terriër, Westie, Whippet (Strain, 1998).

Burns en Fraser (1966) toonden aan dat doofheid bij de Bull Terriër veroorzaakt werd door een recessief allel voor doofheid en dat dat allel door een bepaalde dekreu in de populatie was gebracht. Het bleek een witte hond te zijn. Hirschfeld (1956) gaf aan dat niet alleen witte honden doof bleken te zijn, maar dat er ook witte honden waren die niet doof waren. Mitchell (1935) bewees de associatie tussen doofheid en merle bij de Schotse Collie. Homozygote merles zijn wit van kleur en vaak doof en blind. Burns, Fraser & Kelley (1966) toonden nog een vorm van doofheid aan bij de Border Collie die pas optrad op een leeftijd van 2 jaar en niet geassocieerd was met kleur. George M. Strain (1991) stelt dat doofheid vaak voorkomt bij honden met een merle gen en piebald (Sp) of extreme piebald (Sw) waar veel wit in de vacht is. Toch is er geen doofheid bij alle rassen met deze vachtkleur. De erfelijke doofheid is geassocieerd met afwijkende pigmentatie zoals een piebaldisme, partieel albinisme, blauwe irissen.

Pam Bethurum schreef in the Aussie Times van oktober 1998 een artikel over whitelinked deafness bij de Australian Shepherd. Ze noemt de relatie tussen het merle gen en doofheid, maar ook die tussen het piebald gen en doofheid. Ze noemt hierbij de honden die in het begin van de fokkerij veel gebruikt werden die veel wit hadden zoals een brede witte kraag, veel wit op de kop, meerdere witte poten en eventueel een witte buik. Ze noemt als de oorzaak van de doofheid een gebrek aan pigmentatie in het binnenoor. Dit artikel is echter niet gebaseerd op een wetenschappelijk onderzoek.

image6

Fig 3

In volgorde van dominantie  gerangschikt.

Op  de S-locus is een reeks van multiple allelen aanwezig. De genen beïnvloeden de verdeling van gepigmenteerde delen en ongepigmenteerde delen, respectievelijk witte vlekken.

  • S- het gen S is verantwoordelijk voor een volledig gekleurde vacht. Er komt in het geheel geen wit voor of slechts enkele kleine vlekjes op de tenen en de borst.
  • St- (Si)*-Irish spotting, onder invloed van dit gen worden enkele huidgedeelten wit gekleurd: neusrug en wangen, voorhoofd, voeten, staartpunt, nek, keel, borst en buik.
  • Sv- (Sp)* Piebald spotting, het gen is verantwoordelijk voor bont, dat kan variëren van bijna geen wit tot bijna helemaal wit. Inclusief witte lichaamsvlekken.
  • Sw- Extreme piebald spotting, dit gen staat bekend als extreem bont. De honden zijn geheel wit en bezitten gekleurde ogen en een gekleurde neus. Hagendoorn sprak over een wit laken met gaatjes voor de ogen en de neus. Soms kan er een scheur in het laken zitten en ziet men de originele kleur doorkomen. Meestal is dat het geval bij een oor, rondom een oog, een stuk van de staart.

*In het boek van Drs R. van der Molen staan de letters Si voor Irish spotting en Sp voor    Piebald spotting

In 1992 onderzochten Strain et al en 1996 onderzochten Strain en Tedford de prevalentie van doofheid en associatie van fenotypische markers bij de Dalmatiër, Bull Terriër, Engelse Setter, Engelse Cocker Spaniël en de Australian Cattle dog. Er bleek geen relatie te zijn tussen geslacht en de doofheid. Bij honden met een eenzijdige doofheid bleek er geen verschil te zijn in het optreden van doofheid aan het linker of rechter oor. Alleen bij de Bull Terriër werd aangetoond dat witte honden meer kans hadden op doofheid, bij de andere rassen waren er geen aanwijzingen voor een koppeling van vachtkleur aan doofheid. Dalmaten met blauwe ogen hadden meer kans op doofheid, waarbij het niet uitmaakte of de hond een of twee blauwe ogen had. Ook bleken er meer pups doof te zijn van ouderdieren die doof waren, wat een erfelijke factor zeer waarschijnlijk maakt. De unilaterale vorm van doofheid komt vaker voor dan de bilaterale vorm.

Doofheid bij Dalmatiërs ontwikkelt zich pas als de pups een week of 3 a 4 oud zijn met tot op die leeftijd een normale functionele ontwikkeling van het oor (Pujol & Hilding 1973). De doofheid is een resultaat van een beginnende degeneratie van de bloedvaatjes van het membraan van Corti (stria vascularis), gevolgd door een samenvallen van het membraan van Reissner en degeneratie van de haarcellen in de orgaan van Corti en samenvallen van de sacculus. Deze degeneratie is permanent. De degeneratie begint al op een leeftijd van 1 week oud en is volledig na 4 weken (Johnson et al 1973), waarop doofheid een feit is op een leeftijd van 4 weken. De oorzaak van de degeneratie is niet bekend. Bij de Aussie, Schotse Collie en de Border Collie gaat het om deze zelfde doofheid als bij de Dalmatiër.

Onderzoek:

De unilaterale vorm van doofheid komt vaker voor dan de bilaterale vorm. Dus eenzijdige doofheid komt vaker voor, waardoor het moeilijk is om aan de hand van afwijkend gedrag deze doofheid op te sporen. Een hond met een unilaterale doofheid zal niet veel in gedrag verschillen dan een normaal horende hond, alleen als hij voor het werk wordt gebruikt behendigheid, obedience of schapendrijven) zal het duidelijk kunnen worden dat er iets mis is met de hond. De eenzijdig dove hond kan op afstand wat minder goed reageren als hij met zijn dove oor richting de eigenaar opstaat. Daarom is het van groot belang om de pups op een leeftijd van ongeveer 7 weken te laten onderzoeken. Het gaat immers om een erfelijke afwijking die zo makkelijk op te sporen en te elimineren is.

Er zijn twee soorten gehoortesten:

    ABR - Auditory Brainstem Response
  • BAER - Brainstem Auditory Evoked Response

Bij deze testen krijgt de hond een aantal geluiden te horen en wordt er geregistreerd of het geluid in het oor wordt gevolgd door een elektrische stimulatie, de eerder genoemde actiepotentialen. Als de hond doof is dan is er geen elektrische stimulatie waarneembaar. De hond krijgt een electrode op zijn hoofd geplakt en een microfoon bij de ingang van het oor. Op een monitor kan de onderzoeker aflezen of er een uitslag is (elektrische stimulatie). Het onderzoek zelf is niet erg belastend voor de pup. Eventueel moet het onderzoek onder een lichte narcose gedaan worden, omdat sommige honden nogal gaan schudden of krabben.

Eenzijdig dove honden kunnen nog een leuk leven leiden als huishond, maar moeten beslist uitgesloten worden van de fokkerij. Tweezijdig dove honden kunnen het beste geëuthanaseerd worden, maar als de fokker/eigenaar dat niet wilt, kan hij nog veel informatie halen over de omgang met een dove hond in het boekje Hear, Hear! A Guide to Training a Deaf Puppy van Barry Eaton. Ook deze honden moeten worden uitgesloten van de fokkerij.

Deze afwijking is goed binnen de perken te houden als alle ouderdieren en pups getest worden en in ieder geval positief bevonden (dove) honden worden uitgesloten van de fokkerij.Indien het aantal voor de fokkerij beschikbare dieren dit toelaat kunnen nakomelingen uit dezelfde combinatie ook beter niet voor de fok worden ingezet. Dit omdat er een verhoogde kans is dat die ook drager zijn. Ook de ouderdieren kunnen beter niet meer worden gebruikt. 

Conclusie:

Doofheid ontstaat pas als de pup ongeveer 4 weken oud is door degeneratie die op een leeftijd van 1 week is begonnen. Wat uiteindelijk de degeneratie initieert, is niet bekend, maar de degeneratie heeft een duidelijke erfelijke achtergrond bij verschillende rassen, waaronder de Australian Shepherd. De unilaterale vorm van doofheid komt vaker voor dan de bilaterale vorm. Bij unilaterale doofheid komt even vaak doofheid aan het linkeroor als doofheid aan het rechteroor voor. Doofheid komt even vaak voor bij vrouwelijke als bij mannelijke dieren, wat dus een geslachtsgebonden overerving zeer onwaarschijnlijk maakt.

Doofheid is wel gerelateerd aan kleur, namelijk aan merle en aan piebald. Helaas hebben alle Aussies of een piebald- of een merle-aftekening, maar omdat het gaat om een autosomaal recessief erfelijke afwijking zal slechts een klein percentage van de honden doof zijn. Een hond met een blauw oog heeft meer kans op doofheid. Aan uiterlijke (fenotypische) kenmerken is doofheid niet op te sporen, ook aan het gedrag kan niet altijd bemerkt worden of de hond doof is, omdat het meestal gaat om een eenzijdige doofheid. Daarom is het van groot belang om pups en ouderdieren te laten testen met behulp van BEAR of ABR. Honden die doof blijken te zijn, moeten worden uitgesloten van de fokkerij. Als de populatiegrootte het toelaat kunnen nakomelingen uit dezelfde combinatie ook beter niet worden ingezet in verband met mogelijk dragerschap, mag dezelfde combinatie in ieder geval niet meer herhaald worden en kunnen de ouders beter ook helemaal niet meer voor de fokkerij worden ingezet (dragerschap).

Literatuurlijst:

  • Collegedictaat anatomie oor
  • Mw. Dr. Venker - Van Haagen 1988
  • college dictaat oorheelkunde
  • Mw. Dr. Venker - Van Haagen 1988
  • Hear, Hear! A Guide to Training a Deaf Puppy
  • Barry Eaton 1997
  • Congenital Deafness in Dogs and Cats
  • George M. Strain PhD, The compendium, Small Animal Vol 13, No. 2, blz 245-250 1991
  • Brain stem auditory potentials from bone stimulation in dogs
  • Strain et al, Am. J. Vet. Res. Vol 54, no 11 november 1993 blz 1817-1821
  • Brainstem Auditory Evoked Potential Assessment of Congenital Deafness in Dalmatians: Associations with fenotypic markers
  • Strain et al, Journal of veterinary internal medicine vol 6, no 3, blz 175-182, 1992
  • Guest editorial, Brainstem auditory evoked potentials in veterinairy medicine
  • Strain British veterinary journal, 148, 4, blz 275-278, 1992
  • Ethiology, prevalence and diagnosis of deafness in cats and dogs
  • Strain, Veterinary journal 152, blz 17-36, 1996
  • Anatomy and physiology of the onset of auditory function
  • Pujol R. & Hilding D., acta otolaryngologica 76, blz 1-10, 1973
  • Aussie Times, Education Coordinator article
  • Pam Bethurum, sept/okt Aussie Times, blz 24 and 44
  • Elementaire Kynologische Kennis vierde druk  , Drs. Robert van der Molen, blz.159 en blz 222.

Subcategorieën

Hier treft u informatie over de beschikbare gezondheidsonderzoeken aan en wat dit betekend voor u als geinteresseerde