Erfelijke aandoeningen

Een erfelijke aandoening is een ziekte of aandoening die van generatie op generatie kan worden doorgegeven door een afwijking in de genen. Erfelijke aandoeningen zijn een categorie van aangeboren (congenitale) aandoeningen:

  • Congenitale aandoeningen zijn ziekten of afwijkingen die al merkbaar zijn bij de geboorte, maar die niet erfelijk hoeven te zijn: ze kunnen ontstaan zijn door een toeval, ongeluk of ziekte van de moeder tijdens de zwangerschap.
  • Ook een genetische aandoening is niet altijd erfelijk in de zin dat men het van zijn ouders krijgt: soms gaat het om een nieuwe mutatie of chromosoomafwijking die de ouders nog niet hadden, soms ook om een afwijking die het krijgen van nageslacht uitsluit.
  • Heel zeldzaam zijn erfelijke aandoeningen die toch niet in de genen lijken te zitten.
Meestal valt het begrip ‘erfelijke aandoening’ echter wel samen met ‘genetische aandoening’.

Is een aandoening wel erfelijk, dan is het van belang om te weten over welk type aandoening het gaat. In grote trekken onderscheiden we:

Recessieve aandoeningen

Om de ziekte te vertonen moet men 2 defecte genen hebben. Individuen met slechts 1 defect en 1 gezond gen zijn zogenaamde dragers maar hebben de ziekte zelf niet of slechts in lichte mate. Patiënten hebben dus meestal ouders waarvan er minstens een drager is, en de andere ouder is dan of drager of zelf patiënt. Bij 2 ouders die dragers zijn is de kans op een volgende nakomeling met de ziekte ongeveer 25%. Bij een dragende en een zieke ouder zelfs ongeveer 50%. De meeste ziekten waarvoor er bij de aussies getest wordt zijn recessieve aandoeningen.

Wat betekent de uitslag van een DNA-test?

+/+ Vrij door DNA: het dier is genetisch vrij van de aandoening. Voor recessieve aandoeningen betekent dit dat het dier zelf niet ziek zal worden. Het dier zal aan 100% van haar nakomelingen een gezond gen doorgeven

+/- Drager door DNA: het dier is drager van de aandoening. Voor recessieve aandoeningen betekent dit dat het dier zelf niet ziek zal worden. Het dier zal aan 50% van haar nakomelingen een defect/ziek gen doorgeven en aan 50% een gezond gen

-/- Lijder door DNA:  Het geteste dier is getest en is lijder van de aandoening. Het zal aan 100% van zijn nakomelingen een defect/ziek gen doorgeven

Vrij door ouders: hierbij is aangetoond dat beide ouders als +/+ vrij door DNA getest zijn. Deze dieren moeten dus volgens de genetische regels ook “+/+ Vrij” zijn.

Combinaties: Het belangrijkste uitgangspunt is dat er geen zieke honden gefokt worden.Natuurlijk zou het nog beter zijn om ook geen dragers te fokken, maar dat zou tot grote problemen leiden in de fokkerij, met name op het gebied van inteelt, omdat te veel dieren uitgesloten zouden worden voor de fokkerij.

Acceptabele kruisingen: In principe zijn alle kruisingen waarvan één van de ouders “vrij” is acceptabel. Uit dergelijke combinaties kunnen geen lijders geboren worden, alleen dragers en “vrije” honden.

+/+ Vrij x +/+ Vrij:  alle nakomelingen zijn genetisch vrij en ontwikkelen de aandoening niet

+/+ Vrij x +/- Drager:  Alle nakomelingen zijn genetisch vrij of drager. Zij zullen de ziekte dan ook niet ontwikkelen

+/+ Vrij x  -/- Lijder: Alle nakomelingen zijn drager. Zij zullen de ziekte niet ontwikkelen

+/+ Vrij x andere ouder niet getest:  Alle nakomelingen zijn genetisch vrij of drager. Zij zullen de ziekte dan ook niet ontwikkelen.

Niet acceptabele kruisingen:

+/- Drager x +/- Drager: 75% van de kinderen zijn genetisch vrij of drager; 25% van de nakomelingen zijn lijder en kunnen de aandoening ontwikkelen

+/- Drager x -/- Lijder: 50% van de nakomelingen zijn drager; 50% van de nakomelingen zijn lijder en kunnen de aandoening ontwikkelen

-/- Lijder x -/- Lijder: 100% van de nakomelingen zijn lijder en kunnen de aandoening ontwikkelen.

Dominante aandoeningen

Bij een dominante aandoening hoeven niet beide genen de ziekte te dragen, maar is 1 defect gen voldoende om te leiden tot de eigenschap, of in dit geval tot het ontstaan van de ziekte. Patiënten hebben meestal 1 ouder die het ook heeft, en bij ieder kind 50% kans dat dit is aangedaan. Het is dus in een pure dominante vererving niet te verwachten dat er uit twee gezonde ouders een ziek kind geboren wordt.

In gevallen waarin de ouders beide gezond lijken, maar er toch een ziek kind geboren wordt is meestal sprake van onvolledige penetrantie (niet iedereen met 1 defect gen toont symptomen) of van een sporadisch geval (de genafwijking is bij toeval pas in de patiënt nieuw opgetreden).

Uitzonderingen

In de praktijk is het echter meestal niet zo simpel en zijn op dit basisstramien vele variaties mogelijk. Er zijn bijvoorbeeld ziekten waarbij het voor het ziektebeeld uitmaakt of men een defect gen van zijn moeder of van zijn vader geërfd heeft, wat met dit eenvoudige basismodel niet te verklaren is. En er kunnen bijvoorbeeld ook ziekten optreden door afwijkingen in het mitochondriaal DNA, dat zich niet in de celkern bevindt.

Genoom

De medische genetica die zich met dergelijke ziekten bezighoudt heeft een zeer belangrijk wapen in handen gekregen met de ontrafeling van het dierlijk genoom. Van veel erfelijke ziekten is inmiddels de exacte aard en de plaats van het defecte gen bekend.

In de videolinks hieronder, gevonden op youtube en gepubliceerd door NG Biologie worden filmpjes weergegeven met een uitleg over genetica. Veel kijkplezier!